Centrale Raad van Beroep 1 december 2009 (verkoop van videobanden), LJN **BK5899**

Vast staat dat appellant in elk geval van 1 januari 1999 tot en met 31 januari 2000 videobanden heeft verkocht die hij via het internet aanbood. Deze activiteit is aan te merken als een op geld waardeerbare activiteit en de daarmee door appellant verkregen verdiensten zijn aan te merken als inkomsten uit of in verband met arbeid. De stelling van appellant dat er tegenover de inkomsten uitgaven stonden en hij met de verkoop van de videobanden geen winst heeft behaald, doch slechts verlies heeft geleden, maakt dat niet anders. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellant zichzelf heeft gepresenteerd als zelfstandig ondernemer en heeft verklaard dat hij bewust verlies leed omdat hij wist dat hij in verband met zijn uitkering geen inkomen mocht genereren. Dat de Belastingdienst er blijkens zijn brief van 24 maart 2003 van uitgaat dat er geen sprake is van een bron van inkomen kan appellant evenmin baten. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het fiscale inkomensbegrip niet gelijk is aan het begrip inkomsten in de hier toepasselijke bepaling.
Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat nu de door appellant verrichte arbeid ruim een jaar heeft geduurd er geen sprake is van arbeid van zeer geringe duur, zodat niet gezegd kan worden dat appellant geen arbeidsmarktperspectief had. Dat appellant langdurig afhankelijk is van bijstand en, zoals hij stelt, met zijn inkomsten nimmer boven het bijstandsniveau is uitgekomen leidt evenmin tot een ander oordeel.